|
En het dorp zal duren,
ook straks nog, als het verdwenen is,
en de uren daar slechts herinnering zijn.
Alsof
het verval diep in de stenen is,
in de muren en tussen de balken,
moet alles er tegen de grond.
Gewond
liggen de straten
er stil en verlaten bij,
gehavend en vol gaten.
Heeft
het nog zin te vechten,
de hoge heren te weerstaan,
de weg van wind en weerstand te gaan?
Het
dorp. Ik hoor het kraken
in al zijn voegen, en breken bijna.
Ik zal het maken,
ik
heel de diepste wonden
met woorden uit zijn huizen,
met klanken van zacht water.
Zal
er een dorp zijn, later?
Zal het dorp het overleven?
Even wat twijfel. Slechts even.
|